De stukjes van meneer Arnon Grunberg op de voorpagina van de Volkskrant lees ik altijd. Meneer Arnon is een soort messias. Hij laat voortdurend weten hoe hij over de meest verschillende zaken denkt. Dat herken ik. Ik doe dat ook! Het heeft iets te maken met een lichte vorm van exhibitionisme. In mijn familie komen veel van dat soort zelfbenoemde messiassen voor. Ooms, tantes, neven en nichten die de onbedwingbare behoefte gevoelen om anderen mee te delen hoe het leven eigenlijk in elkaar zit en wat er zoal niet gedaan dient te worden om dat leven te verbeteren. Ik ben dus ook besmet met het messiasvirus. Het is lastig. Zo’n opdringerige natuur. Op een gegeven moment ga je toch een beetje genoeg krijgen van jezelf, van al dat ijdele geschrijf en van al die prrrrrrachtige natuurfoto’s. Waarom kan ik zaken niet gewoon dicht bij me houden? Enkel en alleen voor mijzelf. Waarom wil ik toch steeds anderen mee laten delen in dingen die ik maak, denk of doe? Okay, een mens is een sociaal wezen en kan daarom niet zonder andere mensen. Blijkbaar. Maar de ziekelijke neiging om mijzelf voortdurend op facebook, OBA, Hyves etc. te manifesteren, zou dat nou echt niet een beetje minder kunnen? Mogelijk zou ik me eens wat meer moeten verdiepen in mijn eigen onbescheiden handel en wandel en zou ik me misschien wat minder moeten bezig houden met een ander. Dat moet toch kunnen, zonder dat ik meteen een of andere rare kluizenaar wordt.
Wat mij opvalt is dat mensen de laatste twintig jaar sowieso een stuk onbescheidener zijn geworden. Is U dat ook niet opgevallen? Zij scheppen, zonder enige gêne, op over hun vaak toch middelmatige talenten en vaardigheden. Kennelijk werkt deze “strategie” wel want de onbescheidenheid lijkt steeds pregnanter aanwezig te zijn in het huidige intermenselijke verkeer. Het is blijkbaar een nuttige strategie. Maar ik dwaal weer enorm af!!
Arnon Grunberg dus – want over hem wilde ik het eigenlijk hebben – verbaast mij steeds meer als ik de “ethische” inhoud van zijn columns afzet tegen de aanvankelijke indruk die ik, na lezing van verschillende van zijn romans, van zijn “moraliteit” had. Er valt een duidelijk “Leitmotiv” in zijn persoonlijkheid te ontdekken. Dat wil zeggen zijn persoonlijkheid zoals ik deze steeds beter uit zijn stukjes in de krant heb leren kennen. Hij heeft zich, naar mijn mening, overduidelijk het mensbeeld van de “New Yorker” eigen gemaakt. Net als Heleen Mees. Hij gelooft in de zegeningen van het kapitalisme en heeft een bloedhekel aan alles wat met “…ismen” te maken heeft. Vooral idealisme moet het bij hem ontgelden. Dat kan worden verklaard door de herinnering aan de monsterlijke wreedheden die zijn joodse familie in het recente verleden heeft moeten ervaren van dit soort “…ismen” Daarom ergert hij zich ook groen en geel aan alles wat ook maar een beetje naar socialisme riekt.
Arnon zelf zou ik willen omschrijven als een sterk seksueel gedreven mens (zijn instemming met veel van wat meneer Freud bedacht heeft steekt hij niet onder stoelen of banken). Hij herkent en erkent de seksuele component van de menselijke hoedanigheid als het substraat op basis waarvan ons dagelijkse leven vorm krijgt. Hij is de immorele anarchist in hart en nieren. Hij is de echte New Yorker. Hij is de hedonistische en amorele grachtengordelbewoner in het kwadraat.
Maar laten we eerlijk wezen, in feite kun je ook geen andere kant op in deze, alle menselijke verhoudingen beheersende, super materialistische en uiterst commerciële maatschappij. Door in deze westerse samenleving te worden geboren en op te groeien wordt het je als schrijver wel heel erg moeilijk gemaakt om te kunnen en te willen afwijken van die stereotype hedonistische, amorele, liberale “mir nichts, dir nichts” – houding. Als je je kostje moet kopen met schrijven kun je voor de vorm nog wat ethisch sputteren langs de zijlijn, maar het echte keiharde, niets en niemand ontziende spel om de knikkers wordt door jou net zo serieus gespeeld als door alle andere hebzuchtige hedonisten. Zo nu en dan geef je wat geld aan de zwakkeren en klaar is kees. Geweten gesust. Je kunt weer verder.
En meneer Arnon Grunberg lijkt mij zo’n persoon. In feite niets bijzonders dus. Slechts meer van hetzelfde.
Het zijn sterke schouders die de weelde kunnen dragen.
NB. Dagelijks zwerf ik over de Ginkelse heide en nog nooit ben ik een plaggenhut tegen gekomen waarin betrokken en kritische mensen huizen die er ten diepste van overtuigd zijn dat deze orde hun orde niet is. Je zou er bijna cynisch van worden!
Wel kom ik elke dag mensen tegen die het debiteren van jij-bakken als het ware in de mond bestorven ligt. Dat dan weer wel natuurlijk. Gelukkig maar, zou ik bijna zeggen.

















