Het zit me behoorlijk dwars. Eerst een huilend geluid, daarna een zachte ontploffing meteen gevolgd door het betrekken van de lucht en een soort rare stortbui. Wat kan het in godsnaam zijn geweest? Een vliegtuig dat door de geluidsbarrière ging? Een atoombom die boven Arkadië ontploft? Of dingen die alleen in mijn kop gebeuren en geen relatie met de objectieve werkelijkheid hebben?
Als ik naar buiten loop is de straat gewoon droog en schijnt de zon. Net als de weken hiervoor. Het is droog. En heel warm. In de verte de bergen. Achter die bergen nog meer bergen. Steeds hoger. De hoogste bergen steken meer dan 25 kilometer de lucht in. Dus echt hoog. Geen zuurstof meer op die hoogte. De vlakten die zich voor mij uitstrekken zijn eindeloos. De horizon is honderden kilometers verwijderd. Ja, het is een hele grote planeet. En licht. Heel licht. Hij is iets minder dan negen maal zo groot als de aarde, maar heeft ongeveer dezelfde massa. De aarde, de planeet waar ik geboren ben. Zo’n honderdvijftig miljoen jaar geleden. De millennia regen zich aaneen en brachten mij uiteindelijk hier. Op deze holle planeet. Door mensen gemaakt. Ik reis over de buitenkant. Ik wil niet denken wat er zich aan de binnenkant van deze planeet bevindt. Ik heb wel een vermoeden. Maar ik wil er niet aan denken.
Er gaan verhalen. Heel oude verhalen. Verhalen van zeker twee miljard jaar geleden. Verhalen over wedergeboorte. Over iets wat men toen “sterven” noemde. Over hereniging met het al. Over het verlies van je eigenheid.
Ik denk na. Wat zou dat kunnen zijn. Het al, je eigenheid. Ik kan me er niets bij voorstellen. Alles is toch alles. Ik ben ook alles. Wat ik ervaar ervaart iedereen.
Wij doorkruisen een oceaan van oneindigheid en verwonderen ons over de universa die als zeeschuim door de golven van de branding der eeuwigheid worden voortgebracht. Wij blijven waar het kan en vluchten waar gevaar dreigt. Wij zijn ik. Ik ben alles. En alles zijn wij. Als er niets is is er niets. Als er alles is is er alles. Alles is niets. Ik ben niets. Wij zijn niets. Het doet er niet toe. Er zijn belangrijkere zaken.
Ik moet de reeks van gebeurtenissen, al die toevalligheden, afronden. Er moet een reden zijn. Dat is een vereiste in dit universum. Maar ben ik nog wel in dit universum? Of loopt de tijd weer terug? Is de tijd wellicht verdwenen? En zijn we voor de verandering weer eens gestrand in de goeie ouwe eeuwigheid.
Ik heb millennia lang (volgens de locale driedimensionale tijdaanduiding) spiritueel deel gehad aan een planeet die bijzonder eigenaardige wezens had voort gebracht. Mijn taak was een simpele. Ik moest er alleen maar zijn. En één blijven. Mijn aanwezigheid daar was in een bepaald opzicht best opmerkelijk en spiritueel zeker relevant. Zelden werd door mij een snellere ontwikkeling van organisch leven waargenomen. Het totale dynamisch-evolutionaire organische proces mondde uiteindelijk uit in een intelligente dominante soort. Een toevallige maar toch uiterst strikte ordening van energie die zichzelf “mens” noemde. In mijn ogen een kwaadaardig driedimensionaal wanstaltig object zonder enig existentieel bewustzijn. Een materiële verschijningsvorm uit de crypten der waarschijnlijkheden die wij als “intelligent” object plegen in te delen bij de spiritueel blinde soorten. Maar wat mij eigenlijk direct opviel bij deze entiteit was zijn inherente drang tot zelfdestructie. De sterk morbide en uiterst rudimentair intelligente structuur die dit soort objecten altijd zo treffend aankleeft was voor mij een overduidelijke aanwijzing met betrekking tot hun herkomst. Het was mij eigenlijk meteen duidelijk dat “De Duistere” hier met zijn diabolische krachten werkzaam was.
Een primitieve intuïtie kon die uiterst merkwaardige organische objecten niet ontzegd worden. Zij hadden een “schepper” bedacht en noemde deze “God”.
Er was dus kennelijk iets van het wezen van “De Duistere” doorgesijpeld in de materiële werkelijkheid van die vreemde organische objecten.
Na ruggespraak moest ik de planeet vernietigen. Een noodzakelijke handeling waar ik toch elke keer weer moeite mee heb.











