Doelloos

Een vreemde vlek.

Paranormaal

 

Doelloos.

De klok tikt.
En de seconden bevriezen in mijn oren.
De tijd worstelt zich een weg door een werkelijkheid.
Mijn bestaan laat zich lessen lezen door de grillen en het zekere toeval van het noodlot.
Als een vlot dobberend op een oceaan van niksigheid verwordt mijn leven tot een willoos voorwerp dat blindelings wordt meegevoerd door de dwingende stromingen van de lotsbestemming.
Soms zie ik in de verte de donkere streep.
De kust van het vasteland.
Symbool van betekenis en hoop.
Vorm krijgend op de scherpe lijn van de horizon.
Maar steeds opnieuw verdwijnt de verwachtingsvolle kust en voel ik me weer alleen met mijn zelf geschapen doelloosheid.

De hemel verandert niet.
De hemel is mijn ziel.
De hemel is mijn blauwe ziel die boven de oceaan van niksigheid uitstijgt.
Mijn ziel smacht naar bevrijding uit de kerker van mijn aardse lichaam.
Het wil zich het materieloze niets  in slingeren en dansen met de dromen van het verleden en de toekomst.
Het wil ijzer met handen breken.

De ziel bergt de verwachting van eeuwig leven.
Eeuwig leven in een toestand zonder begin of einde.
Kijk dan naar je eigen lichaam!
Die willekeurige klomp van toevallig gegroeid vlees!
Dat is toch het begin.
Dat is toch het einde.
Kijk naar je handen die alles willen doen maar eigenlijk niets kunnen.
Je handen kunnen bouwen.
Ze kunnen strelen.
Ze kunnen net geboren zijn.
Ze kunnen oud zijn.
Maar behelzen je handen het geheim van de werkelijkheid?
Natuurlijk niet.
Ze behelzen het concept van het tijdelijke.
Ze geven vorm aan het vermeende doel van je bestaan.

De geest!
De geest bergt in zich de belofte van de eeuwigheid.
De belofte zonder begin en einde.
Het onstoffelijke Bewustzijn.
De geest kan er aan reiken.
In de ziel en de handen komt de geest tot wasdom.
Daar stijgt hij uit boven de werkelijkheid.
Daar verandert hij in God.
Dat wil God.
God wil dat je alles bent en niets.
God wil dat je zijn plaats inneemt.
Dat je de schatkamers van het universum doorkruist.
Dat je weet dat je niets bent.

 

En tegelijk ook alles. Kijk, de zaak is zo gelegen: mensen kruipen blijkbaar graag bij elkaar omdat ze, overigens geheel ten onrechte, menen dat ze daardoor mentaal en fysiek beter in staat zijn hun existentiële angsten te neutraliseren. Zo ontstaan monsterlijk grote steden die aan de begrippen eenzaamheid, misdaad, armoede en decadentie een totaal andere dimensie geven. Met zijn allen op een kluitje leven, steeds banger worden en steeds vaker op basis van die angst denken en handelen.
Die steden zijn dus blijkbaar niet de juiste oplossing. Ik denk dat een mens betrokkenheid, erkenning en bevestiging van zijn unieke persoonlijkheid nodig heeft. Een soort gegeneraliseerde genegenheid eigenlijk. Of zoiets. Het is daarom van wezenlijk belang dat je de mensen die deel uit maken van jouw dagelijkse leefwereld ook echt kent. Een mens wordt in staat geacht om de geschiedenissen van gemiddeld zo’n tweehonderd mensen goed te kennen. Hij kan die tweehonderd mensen een duidelijke plaats geven in zijn leefwereld, in zijn dagelijkse leven. Worden het er meer dan tweehonderd, dan begint het risico van de anonimiteit. Mensen worden dan niet langer herkend en gekend. Mensen die op grond van die onbekendheid automatisch een bedreiging gaan betekenen. De miljoenen op elkaar gepakte mensen worden dan voorwerpen. Voorwerpen waar je soms plezier van kunt hebben, maar die nog veel vaker als een last en een gevaar worden gezien. In die situatie wordt jouw uiterst persoonlijke territorium dagelijks geschonden door onbekenden waardoor alle alarmbellen van je reptielenbrein gaan rinkelen. De reflex is vluchten of vechten. Beide zijn niet mogelijk. Wat blijft is stress. Pure levensstress. Stress die je nooit zult kunnen compenseren anders dan door een lichamelijke of psychische vertaling. Door de stress ontwikkel je psychische of somatische aandoeningen die op hun beurt weer stress genereren. En zie, de vicieuze cirkel is gesloten.

Er moet iets gebeuren. We moeten weg van een levenswijze die oorlogen, revoluties, enge ziekten en suïcidaal gedrag veroorzaakt. Het moet weer rustig worden op de wereld. Het moet weer rustig worden in onze kop.
Dus kleinschaligheid in combinatie met mondiale sociale netwerken. Het oude vertrouwde combineren met het fonkelnieuwe! Kleine zelfvoorzienende gemeenschappen van maximaal twee honderd mensen die door middel van internet of iets wat daar op gaat lijken, met de rest van de wereld in verbinding staan. Geen steden meer. Geen anonimiteit meer.
Belangrijkste voorwaarde is dat de mens tot het inzicht geraakt dat dit de enige juiste oplossing is van vele problemen. En daar wringt hem nou net de schoen. De mens lijkt niet “gemaakt” om in kleine zelfvoorzienende gemeenschappen te leven. De gemiddelde mens wordt bezocht en geteisterd door de donkere kant van zijn persoonlijkheid. Deze donkere kant heeft de anonimiteit nodig. Deze donkere kant kan niet zonder de verlokkingen van de massale consumptiemaatschappij. De gemiddelde mens zit genetisch vastgenageld aan de dwang tot overcompensatie van zijn existentiële angsten. Een kleinschalige gemeenschap, een sobere levenswijze, veel aandacht voor de ontwikkeling van de geest, het ontplooien van creativiteit, het zijn allemaal zaken die vreemd aandoen. Ze sporen niet met onze genetische blauwdruk.
Blijft ook nog de vraag wat in deze goed en slecht is. Wat is een goede samenleving? Wat is een slechte samenleving?  De destructieve invloed van het globale cultuurrelativisme op de moderne mens dient niet onderschat te worden. Als je iets wilt dan is het altijd wel zo’n beetje okay. Verboden is alleen wat de wet verbiedt. Er is geen absolute ethiek. Er zijn wel mensen die er een verzinnen door een religie te bedenken met alle toeters en bellen die erbij horen. Religies sluiten, net als kapitalisme, bijna naadloos aan bij de donkere kant van de mens. Bij zijn genetisch bepaalde drang tot macht, bezit, geweld. Maar we weten allen waar deze irrationele, door ons zelf bedachte religies toe leiden!!
Het zou dus zaak zijn om een ethiek te ontdekken die voortvloeit uit de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Een ethiek die als het ware ontspruit aan de ijzersterke causaliteit van de evolutie. Een ethiek die naar boven moet worden gehaald door de wetenschap. U begrijpt het al. Al zou het mogelijk zijn om dit kunststukje te volvoeren dan nog is het niet mogelijk om de resultaten van een dergelijk wetenschappelijke onderzoek op de gemiddelde mens over te brengen. De gemiddelde mens is eigenlijk tot niet veel anders in staat dan het willoos gevolg geven aan de dwingende lokroep van zijn genetisch ingebouwde drang tot overcompensatie van zijn existentiële angsten.
En helaas zijn er nog steeds veel te weinig mensen die op basis van hun ratio die lokroep wel kunnen en willen weerstaan.
Ik hoop dat de wereld het gaat redden maar volgens mij ziet het er bar somber uit.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Een toegeeflijke kijk op de jeugd van tegenwoordig

Er staat een vervreemdend artikel in het super dikke kerstnummer van de Groene Amsterdammer. De titel van het artikel luidt: “De revanche van de jeugd” en de inhoud laat een werkelijkheid zien, die ik tot nu toe niet heb mogen ervaren. Er staat bijvoorbeeld het volgende in: “Zowel in Amerika als in Europa stroomt nu de best opgeleide generatie ooit de samenleving in”. Het artikel is geschreven door een zekere Rutger van der Hoeven en ik neem aan, het kan bijna niet anders, dat deze Rutger heel jong is en zich een onderdeel waant van de gouden generatie die ons ouderen, met behendig gebruik van de sociale media, nog versteld zal doen staan van hun a-politieke betrokkenheid en ziedende bezieling om de wereld (weer) ten goede te veranderen. Die jongeren zullen er best wel zijn. Maar niet in die hoeveelheid als Rutger ons wil doen geloven. Mijn perceptie is echt anders. Ik zie namelijk steeds meer sterk geïndividualiseerde, materialistische en hedonistische jongeren die hun doelen slechts in economische termen willen verwoorden en realiseren. Zij hebben een afkeer van idealen en zijn er trots op dat zij met beide benen diep in de geparfumeerde modder van de realiteit zijn geworteld. Het draait allemaal om henzelf, om gezien te worden, rijk te worden, aanzien te verwerven, respect te oogsten en de beste te zijn in het verwerkelijken van al hun materialistische doelen. Deze schijnbaar onaantastbare onbescheiden jongeren staan klaar om de openvallende plaatsen in de top van het bedrijfsleven in bezit te nemen. Dat beloofd dus meer van hetzelfde voor de toekomst. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is volgens mijn observatie nog steeds een schijnheilige vlag die een puur egoïstische lading moet dekken. Ik hou niet van die jongeren. Ze bezorgen me de koude rillingen. Ik hoorde een extreme exponent van deze subcultuur, gehuld in het bekende driedelige uniform, beweren dat het beter was om ouderen boven de 85 jaar maar geen vergoeding meer te geven voor de kosten van medische verzorging en alles wat er mee te maken heeft. Hij vond het een zeer effectieve bezuinigingsmaatregel. Ik ook. Maar wel volstrekt gewetenloos. En van een geweten had die mooie meneer blijkbaar geen last.

Natuurlijk gaat de mondiale samenleving op enig moment vastlopen als we onze toekomst laten afhangen van de handel en wandel van roofkapitalisten, onbescheiden en gewetenloze graaiers, van krankzinnige godsdienstfanaten en van calculerende, consumptieverslaafde en uiterst bange burgers.

Dit alles laat natuurlijk onverlet dat er ook een grote groep bezielde en ferme doorpakkers bestaat. Jongeren die zich wel betrokken voelen bij het lot van de door consumptieve roofbouw geteisterde aarde en bij de uiterst kwetsbare positie van zijn zwakkere medemens die, om in hem/haarzelf gelegen factoren, de race om geld, bezit, macht, status, roem, respect en aanzien al snel voortijdig moet afbreken. Deze zwakkeren zijn afhankelijk van wat de machtigen en rijken hen nog willen toewerpen. En dat is meestal niet veel. De rijken en machtigen projecteren hun eigen credo op de rest van de wereld: als je rijk en machtig bent ben je goed, maar als je arm en zwak bent ben je slecht.
De wereld wordt door hen opgedeeld in twee kampen. Het kamp van de overwinnaars en het kamp van de verliezers.

Enfin, u heeft het al duizend keer kunnen lezen. Maar het kan mijns inziens niet vaak genoeg gezegd worden. Een beetje tegengif voor alle leugens die worden opgedist door de hebberige randcriminelen uit de top van het bedrijfsleven kan geen kwaad.

Okay, nu is het wel genoeg. Ik kan namelijk eindeloos blijven palaveren over iets wat iedereen al lang weet. Langzamerhand beginnen mijn woorden steeds verder te vervagen als je ze afzet tegen de onontkoombare en massieve veramerikanisering van ons land. Inmiddels ben ik er wel achter dat onze consumptieverslaving dermate ernstige vormen heeft aangenomen door de gure stinkwind van het neo-liberale gedachtegoed, dat het totaal geen zin heeft om hier verder op door te gaan. Iedereen doet maar lekker waar hij of zij zin in heeft. Vreet je maar lekker vol en verwen jezelf maar tot vervelens toe. Blijf jezelf maar fijn bekijken door een roze bril en wentel jezelf maar in de warme en geruststellende modder van je bloedeigen en vertrouwde hybrissyndroom.
Ik trek me terug in mijn eigen paradijs. Wat mij betreft zijn er geen zwarigheden, noch hinderpalen meer. “Wieder klares Sicht, Herr Kapitän”.

Wel wil ik iedereen uit de grond van mijn hart een uitermate gelukkig Nieuwjaar wensen. Het jaar 2012 belooft een goed jaar te worden. Alle seinen staan op groen. Laat je niet gek maken door de kwaadaardige hogepriesters van het bank- en financiënwezen. Zij weten veel over geld maar niets over het leven.

NB. Goede voornemens voor volgend jaar krijgen geleidelijk meer gestalte.
Minder facebook, minder absurdistische en moralistische shit op mijn blog, een tandje erbij aangaande de studie van de Oudheid, elke dag minimaal 12 kilometer wandelen en veel muziek maken. Meer niet? Nee. meer niet.

Zeldzame sneeuw

Avondgloed in sneeuwbomen.

7 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

De jager en God. Wat rest is verwarring.

Opsmuk.

"Ecce homo". We are such stuff as dreams are made on.

Even was ik door ziekte niet in staat mijn exhibitionisme uit te leven. Maar ik ben als een Feniks uit de as herrezen en zal mijn onbescheiden huid duur verkopen.
Hieronder volgt weer zo’n waanzinnig verhaal van wreedheid, droefenis en vergankelijkheid.

“Een ijskoude bries veegt over het bevroren water. Dorre bladeren dansen strak gegroepeerd op de sisfluisterende melodie van de, afwisselend aanzwellende en dan weer luwende, winterwind. Witte berkenstammen staan in strak gelid mathematisch opgesteld langs de oever van het meertje. Een enkele sneeuwvlok kondigt de komst van meer sneeuw aan. Diep in zijn kraag gedoken kijkt de jager naar een open ruimte tussen de berken aan de overkant. Van ver klinkt het geluid van krakende takken. Bruinachtige schimmen verschijnen tussen de berken en een eerste hert verschijnt op de open plek. Het is een imposant dier met een kolossaal gewei. In de schemering zijn de contouren van het hert zijn nauwelijks zichtbaar. De jager moet zich inspannen om het dier te zien. Er vallen nu meer sneeuwvlokken. De jager huivert. Hij kijkt nog een keer en ziet nu dat het hert zijn kop naar hem toe heeft gewend. Het schijnt dat het hert hem ziet. Een blauw geflikker tussen het gewei van het hert doet de jager schrikken. Langzaam verschijnt het kruis van de voor ons gestorven Heer der Heren tussen het gewei van het kolossale beest. Dof dreunend bast een stem uit den hoge op de jager neder. “Gij zult niet doden” In een reflexbeweging gooit de jager het geweer van zich af. Hij zet het op een lopen. De lucht lijkt zich te verdichten. Trillingen worden lichamelijk voelbaar. Het zwerk splijt open en er verschijnt een reuzenhand die van tussen de wolken de vluchtende jager bij zijn donder pakt. “Ho eens even, mannetje, niet zo snel” De jager spartelt tussen duim en wijsvinger. “Weet je wel wie ik ben? ” dondert de stem van de eigenaar van de hand. “Neen Heer” kermt de jager. “Ik ben de God van het hellevuur en het voorgeborchte”
“Uw dagen zijn geteld” De hand laat de jager los, die van grote hoogte op de aarde stort. Althans zo lijkt het. Zijn val wordt echter gebroken door een onzichtbaar krachtenveld. Snikkend van doodsangst blijft de jager liggen. “Hoort mij aan” buldert de God van de hand. “Gaat heen en verspreid de mare dat ik te zevender dage wederkeer om een eindselectie te maken” “Gij zult mijn profeet zijn. Toegerust met singuliere gaven”. Na een knetterende donderslag sluit zich het gat in de wolken. Het hert is verdwenen. En de wind huilt uit het oosten en stuwt de sneeuw verticaal door de lucht.

ja, denkt de jager, dat kan dan allemaal wel zo wezen, maar waarom ik. Ik heb toch niets fout gedaan. Eerst jaagt Hij mij schrik aan met die hand en dan moet ik ook nog eens profeet zijn. Hij slaat het stof en de sneeuw van zijn zijn kleren en loopt terug om zijn geweer te zoeken. Maar ziet……………….op de plek waar hij zijn geweer neergooide ligt nu een staf. Een gouden staf. Om de staf hangt een groenig elektrisch schijnsel, dat licht pulseert. De jager bukt en grijpt de staf. Er vaart een huivering door zijn lichaam. Hij ziet wijde verten. Geheimen worden hem geopenbaard. Zijn kleding is veranderd in een harige mantel. Op zijnen rug een knapzak met een eetnap en een ligkleed. Meer niet. Hij trekt de wereld in om zijnen boodschap te verkondigen. Zullen de mensen hem gaan geloven?

Na twee jaren van doempreken in taveernes en op marktpleinen staat de profeet op een dag op de markt van een klein dorp in de bergen. Zijn gouden staf verspreidt een groen pulserend licht en zijn toehoorders luisteren ademloos naar zijn vermaningen en zijn verbale apocalyptische vergezichten. Sommigen hebben zich ter aarde gestort en wenen bittere tranen van berouw. Anderen staan met verwaten harde koppen te grijnzen en bespotten de doemprekende apostel. Het hart van de profeet verhardt zich bij de aanblik van zoveel blasfemie. Hij werpt zijn hoofd in de nek en roept met verheffing van stem om interventie van het bovennatuurlijke. En ziet………….., een heftig tempeest daalt van de bergen naar het dorp en vernietigt al wat zij op haar weg vindt. De profeet behoedt de vrome lankmoedigen, maar de harteloze spotters worden op wrede wijze door het natuurgeweld gedood. Hij hoort de stemme Gods die zegt dat hij zich op moet maken voor de gloeiende gesel der laatste dagen. Hemelschepen dalen op aarde neder en herbergen de zachtmoedigen. De ongelovigen worden door het leger van God zonder aanziens des persoons uitgeroeid. Er wordt een minuscuul zwart gat in de kern van de aarde geplaatst en dit betekent het einde van de wereld. De planeet vreet zichzelf als het ware op. De hemelschepen vertrekken en waar eens de aarde was is nu niets meer.
Ja, mensen, het kan verkeren. Hoogmoed komt voor de val. Beziet uw leven en herstel wat u nog kunt herstellen. Uw dagen zijn immers geteld.

NB. Ik mag graag over het einde der tijden schrijven. In gezwollen bombastische taal. Ik haat verhalen met van die korte klootzinnetjes in jip-en-janneketaal en volgestouwd met onterecht ondernemers-optimisme. De dolgedraaide, mediageile en ethisch geërodeerde consument moet boeten. Hij moet boeten voor al zijn wandaden. En als ik hem dan niet kan straffen, dan moet God dat maar doen. Die is er beter toe geëquipeerd dan ik. Dus hel en verdoemenis alstublieft en niet van die halfzachte pseudo-moderne kutverhaaltjes die altijd weer en tot vervelens toe goed aflopen. Humor, ironie en zelfspot zijn de wapens van de goede schrijver. Dit alles gevat in een pantser van ironie. Dat is pas lachen, jongen!!!!

En jijzelf dan? Kijk eens naar jezelf, roepen al die verstilde en zeker wetende calvinisten. Waarom hanteer jijzelf dan niet de wapens van humor, ironie en zelfspot? Ik weet het niet. Wellicht omdat ik mijzelf geen goede schrijver vind. Mij is echter alles om het even. Gaat u maar heen en denkt u er maar het uwe van. U wilt en kunt toch niet anders.
Wat rest is verwarring”.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Onbegrijpelijk. Subtitel: Verwarring.

Openluchtmuseum. Engels bezoek.

Hier wordt de werkelijkheid vermalen tot het meel voor onze mond.

“Ik reis nog verder dan de randen van de Melkweg. Mijn hoofd duizelt bij het zien van die peilloze intergalactische ruimte. In het midden van die ruimte zie je zelfs het licht van de veraf staande melkwegstelsels niet meer met het blote oog. Er heerst absolute duisternis. En in die absolute duisternis broeit iets. De werkelijkheid staat op het punt om te kantelen. Om te verspringen naar een lager energieniveau. In een flits. De eeuwigheid verandert als tijdsfenomeen van een oneindig gesloten systeem in een afgebakende tijdseenheid. Het loopt op zijn einde. De ineenstorting van de werkelijkheid verloopt tegengesteld aan de huidige richting van de tijd. De toekomst komt ons tegemoet en op het ontmoetingspunt van heden en toekomst neemt de werkelijkheid dus een andere gedaante aan. Er is geen plaats meer voor massa /energie. Er is nog slechts het suizen van de homogeniteit. Het ontbreken van elke relativiteit sleurt de werkelijkheid mee in een orgie van geweld waarbij ruimte-tijd oplost in niets.
Wij weten van niets en gaan gewoon door. Ik zie op mijn sneller dan licht reis de eerste tekenen van het verval en ik moet huilen. Het is volbracht. We gaan naar huis.

Zomaar een “verhaal”. Een gecomprimeerde weergave van mijn chaotische en absurde gedachten. Zo gecomprimeerd dat het voor een buitenstaander waarschijnlijk volstrekt onbegrijpelijk wordt. Daarom noem ik het verhaal immers “Onbegrijpelijk”. Het is eigenlijk niet voor de ogen van een buitenstaander bestemd. Als ik zou moeten gaan uitleggen wat ik hier nu echt bedoel en het in de taal van de moderne theoretische fysica zou moeten gaan uitleggen aan mensen die totaal geen weet hebben van theoretische fysica dan zou ik een dun boek moeten schrijven. Maar waarom “publiceer” je al die onzinnige flauwekul dan? , vraagt de onverschillige, niet-begrijpende buitenstaander. Welaan, laat ik het maar eerlijk zeggen, die “publicatie” is een schreeuw om echte aandacht, een onbeholpen verzoek om in contact te komen met mensen die van dezelfde “onzin” houden als de schrijver dezes. Een krakkemikkige vraag om INHOUDELIJKE reacties. Niets meer, maar ook niets minder. Het is geen roep om een discussie over metacommunicatie. Alsjeblieft, in godsnaam geen discussie over metacommunicatie!!!!!!!”

Tot zover het “verhaal”.

De taal als fenomeen vind ik prachtig. Met de taal kun je dingen min of meer exact opslaan op papier of in de computer. Gegevens die je later behulpzaam zijn om je verhalen, fantasieën of baarlijke nonsens vanaf een bepaald punt weer op te pakken en verder te ontwikkelen.
Heel soms wordt mijn verhaal door een buitenstaander gelezen. Niet meer dan een eerste zin of zo! Hoe zou mijn mening over die buitenstaander, in bovengenoemd verband bezien uiteraard, dan kunnen luiden? Hieronder één voorbeeld uit vele voorbeelden:

“De buitenstaander pleegt op basis van zijn gebruikelijke zelfoverschatting en zijn, in de praktijk gebleken, ongeïnteresseerdheid mijn “verhaal” als klinkklare onzin en nutteloze informatie te betitelen om vervolgens hardwerkend verder te gaan met zijn veel belangrijker, nuttiger en menslievender bezigheden, zich daarbij gelukkig prijzend dat hij op grond van zijn calvinistische nederige hoogmoed nog steeds heel goed en effectief in staat is om zijn medemens langs de strenge meetlat van zijn oordelende en veroordelende “ethiek” te leggen.

Hij zal bijvoorbeeld zeggen: Iemand die zoiets schrijft is verbitterd, heeft een probleem of is tot op het bot gefrustreerd. De buitenstaander is meestal een psycholoog van de koude grond. Hij laat zich leiden door zijn eerste indrukken en door zijn in beginsel aanwezige doch weinig of niet ontwikkelde fantasie. Zijn denkproduct noemt hij de WAARHEID of, als we geluk hebben, zijn waarheid”.

Tot zover het voorbeeld ! Eén van de wrokkige sjachrijnige varianten dus.

Mijn wijze woorden luiden als volgt: Aan het papier kun je alles toevertrouwen. Waarheid, leugens, beledigingen, liefdesverklaringen of bedrog. Het papier is geduldig.

Ik heb geen raad, geen boodschap en al helemaal geen waarheid. Ik doe maar wat!!

12 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Politieagent in Kunduz.

Politieagent

Is me dat schrikken!

Ik ben net opgestaan. Het is nog vroeg. Aan de andere kant van de kamer liggen mijn vrouwen nog te slapen. Ook de acht kleine kinderen slapen nog. Ik moet eruit. Geld verdienen. Nog geen 18 weken geleden was ik een ongeletterde dagloner die een redelijk bakje rijst verdiende op de papaverplantages van Kunduz. Nu ben ik een goed opgeleide politieagent en zorg er samen met mijn collega’s voor dat het dagelijkse leven in Kabul doorgang kan vinden. Gisteren vroeg mijn oudste dochter of zij naar school mocht. Ik antwoordde dat als Allah had gewild dat vrouwen naar school gingen hij ze wel meer hersens zou hebben gegeven. Ze vertelde dat een van mijn vrouwen had gezegd dat ze het maar aan mij moest vragen. Ik heb die vrouw meteen een paar stevige tikken gegeven om duidelijk te maken dat ik van dergelijke vrijpostigheden niet gediend ben.
Het is nu morgen en de rust lijkt weer gekeerd. Ik eet een bakje rijst en een stukje van een gebakken geitenkop. Ik stap op mijn brommertje met mijn kalasjnikov over mijn schouder en stort me in het chaotische ochtendspitsverkeer van Kabul.
Op het politiebureau stal ik mijn brommertje en ga naar mijn commandant voor instructies. Vandaag zijn het wegafzettingen. Een leuke mogelijkheid om wat extra’s bij te verdienen, mits ik de commandant laat meedelen. Want dan zit het wel snor. En volgende week gaan we fijn op de Taliban jagen. We hebben er niet voor niets net achttien weken opleiding opzitten.
Maar eerst appèl op het pleintje voor ons politiebureau. Kijk, daar komt Hassan aan. Die ouwe waterverkoper. Hij lijkt dikker dan gewoonlijk. Ik roep: Hé Hassan, het gaat jou lekker voor de wind, je wordt steeds dikker. Hassan grinnikt en gaat verveeld bij de muur naast de poortdeur staan. Ik mag niet klagen, antwoordt Hassan, ik heb net drie geiten verkocht aan de Taliban. Bewaar ook een geit voor mij, roep ik. Inmiddels zijn mijn collega’s ook op het pleintje komen staan. Wij vormen rotten van vier. Dat hebben we tijdens onze opleiding geleerd. De commandant gaat voor het peleton staan. Geeft acht! Wij staan in de houding.
Uit mijn ogen zie ik dat Hassan komt aanstormen. Onder zijn kaftan tekenen zich door tegenwind vierkante oneffenheden af. Een felrode vuurzee. Een knal. Pijn. Stilte.

Vijgenbomen. Een vijver met helder water. In het gras onder de vijgenbomen liggen vijftig, schaars geklede, verleidelijke jonge maagden. Ik heb ze voor het kiezen. En zo leef ik nu al miljarden jaren en vervelen doet het op de een of andere manier nooit.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Het reizende vaudevilletheater van de allesomvattende Liefde.

De kerk op de berg.

Primitieve pelgrimskunst

Grote gebieden zijn niet toegankelijk. Zij lichten ’s nachts blauw op. Als je die gebieden betreedt zul je een langzame en pijnlijke dood sterven. Zegt men. De klikkastjes waarschuwen ons. Het zijn prachtig bewerkte houten kistjes met een opening in de bovenkant. Uit die opening klinken de venijnige klikjes als er gevaar dreigt.
Wij zijn net aangekomen bij een nederzetting gelegen aan een groot meer. Je kunt de overkant niet zien. Ten zuiden van ons, aan de kust, bevindt zich het gebied van de blauwe straling. Wij moesten er helemaal om heen reizen. Onze paarden worden uitgespannen. De wagens worden in een kring geplaatst en midden in de kring wordt een vuur aangelegd. Malvitz en Benzdorf gaan op weg naar de nederzetting. Maar zie, men komt ons al tegemoet. Wij hebben ons allemaal buiten de kring van wagens opgesteld en heffen ons welkomstlied aan. Wij evoqueren bont gekleurde wondervogels en geruststellende achtergronden in afwisselende pastel-achtige tinten. De dorpsbewoners blijven met open mond staan en zinken luid jammerend op hun knieën. Malvitz spreekt wijze en sussende woorden. Hij praat over het lichaam en de geest. Hij kondigt nieuwe wonderen aan en begeeft zich met een geruststellende pose en strelende troostende woorden tussen de geschrokken mensen. Hij praat over ons reizende vaudeville theater der Liefde. Hij praat over de wonderen die wij kunnen bewerkstelligen en over de “nieuwe mens” voor wie die wonderen vanzelfsprekend zijn. Hij weet de dorpelingen te overtuigen en kondigt voor morgen een voorstelling aan. Het bekende werk. Levitatie door middel van gravitatie neutraliserende meditatie. Tentoonstelling van de wonderen der opperste liefde.
Ik mag met de reclamewagen mee naar het dorp om de mensen daar gratis op een voorproefje van de voorstelling te vergasten. De paarden voor de wagen zijn dit keer Marcus en Johannes. Als ik ze inspan hoor ik ze al mopperen. “Waarom altijd wij? We hebben de hele dag al gelopen!!”.
Ik maak een grapje en probeer zo luchtig mogelijk te doen. Ik stuur kalmerende beelden en verzin een langzame, zachte melodie. De paarden sluiten hun ogen en kijken naar binnen. “Ja, zegt Marcus, zo is het wel goed. Erg mooi, ik kan niet anders zeggen, maar je kunt beter”
Op weg naar het dorp zien we kleine stukjes grond met groenten en graan. Fruitbomen en schamele schuilplaatsen voor de schapen en de geiten. Sommige dorpelingen zijn al weer aan het werk. Ik zwaai en Benzdorf barst uit in een krachtig lied waardoor bonte wervelingen achter onze reclamewagen ontstaan. Prachtig gevormde fantasieën krijgen vorm en gaan hun eigen weg.
Wij weten dat we anders zijn. Onze ouders waren ook anders. Generaties lang zijn wij al anders. Sedert de ramp zijn wij anders. Dat is zo’n zevenhonderd jaar geleden. Toen veranderde de wereld. Dat moest wel. Want het werd te gek. Het kon niet meer. Er bleven er maar weinig over. Na de Ziekte. En van die weinigen waren er een paar anders geworden.
Nieuwe mensen.
En nu zijn we hier aangekomen. Benzdorf heeft veel oude boeken. In die boeken staan dingen beschreven van voor de ramp. Ik ken ze uit mijn hoofd. Ken de plaatjes. Weet dat het fout moest gaan. Weet waarom het fout moest gaan. Lang geleden was er dus oneindig lijden en groot gebrek aan inzicht. De werkelijkheid werd niet goed ingeschat.
De eerste huizen van het dorp komen in zicht. Houten huizen met heel erg spits toelopende daken. Kozijnen zwart geverfd en de ruiten zijn geslepen. Je kunt er moeilijk doorheen kijken. Ze zijn versierd met de mooiste glasgravures.
Wij komen aan op de marktplaats. Inmiddels omringd door kinderen in hun bont gekleurde kleding. Mutsen met punten waaraan kwasten hangen in allerlei kleuren. De ouderen op afstand. Malvitz pakt de ver-spreker, een soort hoorn gemaakt uit barnsteen, en begint te zingen. De fantasieën groeperen zich en wiegen mee op de klagelijke tonen van zijn ode aan de doden.
Na dit ernstig intermezzo is er plaats ingeruimd voor luim en scherts. Malvitz en Benzdorf pakken mij bij de hand en wij dansen een wilde polka waardoor de fantasieën steeds duidelijker materialiseren, woest over elkaar heen tuimelen en voortdurend van kleur verschieten. Op het hoogtepunt van deze orgastische seance maken wij contact. De omstanders verstijven. Zij kijken naar binnen en zij merken dat er iets is veranderd. Wij hebben de neurologische snelwegen in hun hersens hersteld en anders aangesloten. De Liefde is tot stand gekomen. Het leven van de omstanders is in een oogwenk radicaal gewijzigd. De kompasnaald van hun ziel geeft definitief een andere richting aan. De esoterie is geconcretiseerd in onze werkelijkheid. De kleuren zijn echt geworden. Goedheid en erbarmen voeren voortaan de boventoon. De zon schijnt en de duivel is uitgedreven. De toekomst is gewaarborgd.
En wij trekken na een paar dagen weer verder. Ons werk is nog lang niet gedaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De man, de deurwaarder, de woningbouwvereniging en de woede.

Gaskraan open laten staan

Als weinig niets wordt.

Als door de bliksem getroffen blijf ik met de brief in mijn handen midden in de kamer staan. Woede welt op, dondert als een woeste waterval over het instortende bastion van mijn redelijkheid en maakt dat ik de kristallen asbak, die Leah altijd zo prachtig vond, met een harde klap tegen de muur gooi, alwaar hij in een fontein van glassplinters uiteen spat.
De deurwaarder geeft mij twee weken de tijd om de achterstallige huurpenningen te betalen. Zo niet, dan zal ik met behulp van de hermandad uit mijn woning worden gezet. Bijna meteen transformeert mijn rauwe drift in kille berekende haat. Ik begin onmiddellijk plannen te maken. Dit zal niet gebeuren. Nooit. Ik laat me niet met mijn 75 jaar uit mijn eigen huis zetten door een paar snotjongens met een grote bek. Duizenden guldens heb ik besteed aan advocaatkosten om het misverstand uit de wereld te helpen. Niets heeft geholpen. Mijn juridische stormrammen lieten nog geen krasje achter op de muren van al die bureaucratische burchten.
In Amsterdam, in mijn stamkroeg koop ik van een goede bekende een pistool. Een vuurwapen om mijn gelijk kracht bij te zetten. Ik zal het niet toelaten dat ze me weer van huis komen halen.
Ik moet de tijd die me rest goed gebruiken. Mijn ternauwernood beheerste razernij maakt dat ik haarscherp kan nadenken over de te nemen stappen.
Van vuurwerk pruts ik een hele lange lont in elkaar. Ik zal de rollen omdraaien. Deze keer zal het dodelijke gas mijn kwelgeesten verdelgen.

Ik hoor de bel. Beneden staat de vijand. Ik loop het balkon op om de lont aan te steken. De stank van het gas in huis is nauwelijks te verdragen. Met mijn hand voor mijn mond loop ik door het huis naar de voordeur. Ik neem afscheid van de herinneringen en verlaat via de noodtrappen het appartementencomplex. Op het moment dat ik het autoportier open klinkt de doffe dreun van de explosie. Ik kijk om en zie grijze wolken door de gebroken ruiten uit mijn woning kolken. Het pistool in mijn jaszak geeft rust en vertrouwen.
Aangekomen bij het kantoor van de deurwaarder ontsteek ik de prop katoen in de opening van de fles wasbenzine. Ik slinger hem met kracht tegen de deur van het kantoor. Het koperen naambord verdwijnt achter een muur van vlammen.
Nu naar de woningbouwvereniging! Die schoft opruimen. Een dollemansrit. Ik schreeuw en ik eis. Ik dreig. Wordt naar de directeur gebracht. Beveiliging. Weer dreigementen over en weer. Ik trek mijn pistool. De inmiddels gealarmeerde agenten bespringen me. Het pistool gaat af. Ik zie de directeur bloedend ter aarde storten.

Het is goed. Mijn wilde woede ebt weg. Het is goed zo.

Het recht heeft gezegevierd.

8 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

DE BRIEVENBUS. Zomaar een voorval uit het leven van een postbode.

“Zo zout heb ik het nog nooit gegeten”, zegt de postbode, als hij drie brieven door de brievenbus van de familie Schmerzträumer wil gooien. Want, waar eens een gewone brievenbus in een solide betrouwbare eikenhouten deur was bevestigd, ziet hij nu een breed lachende mond. En niet zo maar een mond, nee, een echte, bewegende mond die ook kan praten en kan boeren. De mond zegt: “Zo postbode, u is aan de vroege kant vandaag, en dan drie brieven nog wel. Kom maar op want ik heb honger”. De postbode blijft als aan de grond genageld staan, en begint te twijfelen aan alles wat hem heilig is. Naast de eikenhouten deur zit een koperen bel die glimt als een snottebel in de maneschijn. “Okay”, zucht de “brievenbus”, “ belt u gerust aan om te vragen of het wel vertrouwd is”.
De postbode belt aan en meneer Schmerzträumer doet open. De postbode wijst op de mond. “Ja”, zegt meneer Schmerztraumer, “ik weet het, het ziet er wat vreemd uit, maar het is één van die nieuwe dingen uit Amerika. Deze brievenbus ontvangt de post via een echte biologische mond. Hij proeft, keurt, selecteert en eet vervolgens de reclame en de niet relevante brieven op. Een nieuwigheidje uit het land van de onbegrensde mogelijkheden. Ik hoef me alleen nog maar te bekommeren om de werkelijk belangrijke brieven”.
De postbode zwijgt. Hij kijkt nog eens naar de mond.
“Hoe weet die mond nou wat wel en niet belangrijk is?”
“Via een heel speciale genetisch gemanipuleerde chip”, antwoordt meneer Schmerzträumer.
“Is het wel veilig?”
“Veiliger kan bijna niet. Onbevoegden bijt hij gewoon de vingers af. Dat wel”.
De postbode gaat verder. In gedachten verzonken.
“Uit de nieuwe wereld”, fluistert hij, ” wie had dat ooit gedacht. Als ze dat kunnen dan kunnen ze nog veel meer!”

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

De politieke duiding van maatschappelijke overtuigingen in termen van rechts en links schiet vaak tekort als men daarmede individuele politieke voorkeuren bedoelt te omschrijven.

In het ochtendbos

Een overweldigende stilte op een betoverende plek.

Rechts stemmen is in veel gevallen stemmen op basis van een levensbeschouwelijk opportunisme dat onveranderlijk rechtstreeks voortvloeit uit de inhoud van iemands portemonnee. Het stemmen op rechtse partijen doet mij denken aan de metafoor van de baby die een scheermes krijgt aangereikt om mee te spelen. Het mes glimt heel erg mooi en is daarom zeer aantrekkelijk maar op de wat langere termijn veroorzaakt het dodelijke wonden. Het is aanlokkelijk om veel bezit, veel macht en status te hebben, maar het maakt het leven van de mens op de lange duur onmogelijk omdat voornoemd streven onherroepelijk leidt tot vernietiging van een voor de mens geschikte aarde. Rechts stemmen is vaak stemmen om te houden wat je hebt en te verwerven wat je graag wilt hebben. Links stemmen is vaak stemmen om te verwerven wat je wilt hebben omdat je er van overtuigd bent dat je bijna niets hebt. Kortweg gezegd: rechts stemmen om te behouden wat je hebt en links stemmen omdat je wilt hebben wat anderen ook hebben. Beide keuzes worden dus bijna uitsluitend gemotiveerd door puur materiële overwegingen.
Rechts is zakelijk en eenduidig gericht op het verwerven van geld, macht, aanzien en bezit. Links heeft heel soms nog idealen en is meer mensgericht.

Er zijn volgens mij, grofweg en zeer in het algemeen gesproken, twee soorten mensen op deze wereld. Mensen die voor zichzelf leven en de medemens louter en alleen als middel zien om hun materiële en psychische behoeften te bevredigen. En mensen die samen met de ander willen leven en de medemens niet als middel maar als doel beschouwen. Er zijn mensen die met behulp van de wetenschappelijke methode willen begrijpen waarom de dingen gaan zoals ze gaan. En er zijn mensen die boos zijn omdat ze op grond van “feiten-vrije” meningen en opinies van zichzelf en anderen denken te weten hoe dingen gaan zoals ze gaan en zichzelf als slachtoffer zien van deze in hun ogen vaak verderfelijke en schandelijke gang van zaken. Er zijn mensen die eerst naar zichzelf kijken als er een schuldvraag aan de orde is. En er zijn mensen die de schuld altijd bij een ander zoeken. Er zijn mensen die de koe bij de hoorns vatten. En er zijn mensen die zich latent machteloos voelen. Er zijn mensen die als eerste reflex een zeker genoegen scheppen in het feit dat een ander ongelukkig is. En er zijn mensen die als eerste reflex ongelukkige mensen willen helpen. Er zijn mensen die primair te goeder trouw zijn. En er zijn mensen die primair te kwader trouw zijn en heilig geloven in de zegeningen die het wonder van de vrije markt voor hun eigen persoon in petto heeft.
Rechts en links noemen we het vaak. In feite heeft het mijns inziens te maken met het soort mensen dat we zijn of graag willen zijn. En wat we uiteindelijk worden heeft alles te maken met de wisselende invloed van opvoeding, omgevingsfactoren, vrienden, genetische aanleg enzovoort. Het komt onder meer tot uiting in ons verwachtingspatroon, in de hoop die we al dan niet koesteren. We zitten er aan vastgebakken. Aan onze status, aan onze individuele genetisch vastgelegde en historisch gegroeide persoonlijkheidsstructuur. De een wil zekerheid en denkt zwart wit. De ander is genuanceerd en denkt in grijstinten. We verdedigen onze vermeende zekerheden in voortdurende interactie met anderen. We creëren onze waarheid met een grote hoofdletter “W” en slechts weinig zijn we geneigd om echt kritisch naar de eigen stelligheden te kijken. Genetische aanleg, opvoeding en de invloed van onze directe leefomgeving construeren het “toeval” waarop onze overtuigingen zijn gebaseerd. Een rijke, egoïstische en hebzuchtige stinkerd stemt op de VVD en een arme, afgunstige uitkeringstrekker stemt op de SP. Beiden worden bijna uitsluitend gemotiveerd door materiële motieven. Het einde van het verhaal is de opdeling van de wereldbevolking in verliezers en in winnaars.
O ja, en dan is er ook nog een heel klein segment van de totale bevolking die beweert zich niet door materiële motieven te laten leiden. Dit segment wordt door de materieel gemotiveerde massa als hypocriet, onwaarachtig en niet realistisch beschouwd en verwezen naar de periferie van de samenleving.
Links en rechts zullen ook in de toekomst onveranderd hoog van de toren blijven blazen, maar desondanks zijn en blijven we blinde stakkers die in het duister tasten omtrent een absolute ethiek. Armzalige stumpers die nog niet eens in staat zijn elkaar te willen en/of te kunnen begrijpen.
En politiek is één van de uitkomsten van bovengenoemde flauwekul. Het ware beter als eenieder zich eens wat kritischer met zichzelf zou bemoeien en zich wat minder kritisch veroordelend ten aanzien van zijn medemens zou opstellen.
Zet de roze bril af en aanschouw je eigen zwakheden.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Verhaal zonder grenzen.

Ergens in een bos bij een vijver

Ergens in een bos bij een vijver.

De verheven idealen en onschuldige naïviteit van mijn jeugd hebben door de tand des tijds hun scherpte verloren en zijn door mij, net op tijd, als overbodige ballast opgeslagen in het pakhuis van verloren dromen dat zich ergens op het lelijke en saaie niemandsland tussen pubertijd en midlifecrisis bevindt. Daarna begonnen alle moderne en vernieuwende ontwikkelingen steeds vaker aan mij voorbij te gaan. Het verlokkelijk glimmen en glinsteren van have en goed bracht mij niet langer van mijn stuk. In die periode werden muziek en literatuur de belangrijkste zaken in mijn leven. Het was gelukkig niet anders. De prijs die ik voor deze rust moest betalen was weliswaar hoog maar laat zich godzijdank niet uitdrukken in banale en volkse termen van gemist materieel levensgeluk. Nee, achteraf bezien moet ik concluderen dat het echt niet anders kon. Het moest wel zo zijn dat mensen, ook veel van mijn vrienden, van mij vervreemd raakten.
Ik metamorfoseerde geleidelijk in een in zichzelf gekeerde kritische zonderling die de geboorte van een nieuwe tijd met uiterste scepsis gadesloeg en knorrig becommentarieerde. Daarbij zij wel aangetekend dat mijn voortdurende zoektocht naar de grondvesten van een absolute ethiek een aanzienlijke wissel trok op mijn geestelijke uithoudingsvermogen. Die vermaledijde queeste naar een wetenschappelijk te duiden grens tussen goed en kwaad!!!!! Als een charlatan-achtige dokter Faust was ik bereid mijn ziel aan het kwade te verkopen teneinde het goede te winnen. Welk een droevig misverstand!!!
Het verhaal begint op een prachtige zomerochtend, als ik vroeg ben opgestaan met, voor de zoveelste keer, slechts één doel voor ogen, namelijk, mijn nog steeds onwillige geest open te stellen voor de betoverende en verleidelijke influisteringen van de langzaam ontwakende natuur.
Het is heiig. Het zonlicht prikt hier en daar door de lage oplossende bewolking en een voorbode van kilte ligt omineus verscholen onder de directe koesterende warmte van die omfloerste laatzomerse zonnestralen. De bospaden verwarren zich in een spannend doolhof waardoor ik genoodzaakt ben om op geleide van de zonnestand mijn weg te zoeken. Het aarzelende zonlicht valt schuin door de grondnevel tussen de naar één kant licht overhellende boomstammen. Het is een traktatie voor lichaam en geest om in het bos van de nazomer rond te dolen en het geeft onvermijdelijk aanleiding tot sereen en diep nadenken over het nut en de noodzaak van mijn bestaan. Mijn spiritueel smachtende “ik” reikt tevergeefs naar onbereikbare hoogten. Voor de zoveelste keer moet ik mij met tegenzin schikken in mijn intellectuele onvermogen om een echte waarheid te ontdekken. En mijn nederlaag lijkt eens te meer beklemtoont te worden door de spottend klinkende zang der vogelkens in het belendend struweel.
Plots echter bespeurt mijn oog een vermoeden van beweging. Ik zie een klein knaagdiertje – een muis? – in de berm langs het bospad bewegen. Zo stil mogelijk tracht ik het diertje met mijn fototoestel te attraperen. Ingespannen tuur ik door de lens. En wat ik zie is zo gruwelijk, dat ik bijkans het toestel uit mijn handen laat vallen. Het kleine beestje met het lichaam van een muis, heeft een menselijk gezicht. Een piepklein menselijk gezicht. Het zegt iets dat ik niet direct kan verstaan. Ik kom naderbij met mijn fototoestel. En nu hoor ik heel ijl en ver weg wat het diertje zegt: “Een verandering uit het niets, hoe klein deze ook moge zijn, verandert alles”. Alles wordt even wazig voor mijn ogen. Als ik weer kan kijken zie ik een doodgewoon veldmuisje , dat van mijn verwarring gebruik maakt om te vluchten.
Het komt mij voor dat het zonlicht een paar tinten is verschoven en nu naar een volle goudkleur zweemt. De contrasten zijn wat minder scherp geworden en ik bemerk tot mijn schrik en verbazing dat ik plots gehuld ben in een zwarte mantel die ik draag over een lange zwarte robe, Aan mijn voeten priemen een paar ferme hoge laarzen. Ook zwart. Ik zijg handenwringend ter aarde en kan slechts een verstikt gejammer teweeg brengen. Het wordt mij teveel!. Ik verlies het bewustzijn en moet een langere tijd in flauwgevallen toestand op het bospad hebben gelegen. Als ik geleidelijk weer tot mijzelf kom staat een grote gouden zon hoog aan het zwerk en is de hemel van een geruststellende lichtblauwe kleur, opgevrolijkt door ragfijne witroze schapenwolken. In het veranderde licht lijken de bomen veel groter en het bospad veel smaller. In een van de zakken van mijn habijt voel ik sleutels. Mijn autosleutels. Inderdaad autosleutels, maar anders. Op een van de sleutels staat “Renault Reine”. Het zegt mij niets. Ook de andere sleutels komen me niet bekend voor. Zijn grover van uitvoering en gemaakt van een zeer zwaar en mij onbekend metaal. Het omringende bos is authentieker geworden, woester en niet onderhouden. Het is een woud geworden. Ik huiver en loop uiterst voorzichtig, op geleide van de zonnestand, in de richting van de plek waar ik, in een andere werkelijkheid, mijn automobiel heb gestald. Op die vermoedelijke plaats tref ik een oud, scheef gezakt bouwsel. Een herberg, naar het blijkt, met een rietgedekt dak. Op een, in de koele bries, licht bewegend uithangbord staat geschreven “In den Vrolijcke Guit”. Naast de herberg staat een voertuig geparkeerd. Een zwarte koets met details van glanzend messing en met prachtig geslepen ramen. Het rust op manshoge gespaakte wielen voorzien van gitzwarte luchtbanden. Een klein schildje op de schuin afgevlakte voorkant vermeld: “Renault Reine”. Ik pak de desbetreffende zware autosleutel en kan zonder belemmering het massieve portier open maken, overigens niet nadat ik daartoe op een aan het voertuig bevestigd opstapje ben gaan staan. Het interieur oogt als de binnenkant van een sombere doodskist. Veel zwart kant. Banken van donkerrood leder en ebbenhout. Vermoedelijke bedieningshendels uitgevoerd in een soort gietijzer en iets dat sterk op ivoor lijkt. De geur is overweldigend. Een mengeling van ozon en leder.
Ik sluit het massieve portier dat met een donkere dreun in zijn sponningen valt. De grond is zanderig met hier en daar sporen van grint.
Als ik de deur van de herberg open, moeten mijn ogen wennen aan een sepia-achtig gekleurde ruimte. De vloer bestaat uit verweerde zwarte planken. Het meubilair lijkt van ebbenhout. Er hangen zware gordijnen gemaakt van prachtig donkergroen fluweel. De ramen van de herberg zijn gemaakt van geslepen glas dat flonkert in het licht der gouden zon. Het geheel maakt een oeroude indruk. Nadat mijn ogen zich hebben aangepast aan het veranderde licht, ontwaar ik rechts van mij een kolossale bar voor een kast waarin op brede schappen een keur aan kristallen karaffen staat elk gevuld met weer een ander soort drank. Het donkere kleurenpalet dat, vreemd genoeg, toch een zwak flonkerende indruk maakt, vermengt zich op natuurlijke wijze met het amberkleurige licht dat van buiten door de vensters van geslepen glas valt.
Achter de enorme bar staat een zwaar gebouwde kale waard. Gekleed in een fel groen-rood gestreept gewaad. “Meester Lamentarus, wat verschaft ons de eer van uw bezoek?”, roept de waard mij opgewekt toe. Ik pak mijzelf tezamen en besef dat alles nu van mijn reactie afhangt. “Een frisse neus en een heerlijk bakje koffie met een vers pasteitje”, antwoord ik baldadig. “Komt eraan, meester”, zegt de waard. “Al nieuws over de zwavelzuurgooiers?” “Nee, zeg ik werktuigelijk, we zoeken nog steeds. Hoeveel ben ik u schuldig?” “Tweeënhalve schilling”, zegt de waard. Ik geef er drie. Laat de rest maar zitten.
In mijn voertuig gezeten stop ik de zware sleutel in een soort zilveren sleutelgat dat zich op het stuurwiel bevindt. Ik draai de sleutel om. Er gebeurt niets. Na 10 seconden gaat er een groen lampje op het stuurwiel branden . Een vrouwenstem zegt. Ik ben klaar als u klaar bent. Aarzelend zeg ik, naar het dorp. De wagen komt in beweging. Ik grijp het stuurwiel. Dat is niet nodig. Het voertuig rolt met zeer lage snelheid over de grindweg door het bos en zoekt zijn eigen weg. Het stuurwiel beweegt vanzelf mee met elke richtingverandering. Langzaam wordt ik langs de kant van de weg huizen gewaar. Maar niet de huizen zoals ik ze ken. Ze hebben de meest grillige vromen. De daken lopen pits toe. De bouwmaterialen zijn steeds zwarte of donkerrode natuursteen, ebbenhout en kristal. Het is alsof ik een sprookje binnenrijdt. Inmiddels is het wegdek veranderd in zware, platte, grillig gevormde, maar toch precies in elkaar passende platen van leisteen of een andere steensoort die er precies op lijkt. De straten worden omzoomd door statige, reusachtige loofbomen. En geen enkele straat is recht. Er zijn pleinen met prachtige fonteinen en imponerende standbeelden, gehouwen uit donkerrood marmer. Het voertuig stopt voor een wat groter vrijstaand gebouw met twee spits toelopende torens op de hoeken, een massieve, grote en uiterst kunstzinnig gebeeldhouwde deur gaat vanzelf open om mij de doorgang te verlenen. In een ruime hal zie ik achter een wit marmeren balie een aantal mensen zitten die druk aan het werk zijn. Zij werken met beeldschermen die gevat zijn in lijsten van zuiver lichtgroen onyx. De beelden zijn bijna scherper dan de beelden die de werkelijkheid ons rechtstreeks via onze ogen biedt. De kleding van de beambten is statig en zwierig tegelijk, waarbij donkere tinten overheersen en hier en daar wordt het geheel op een beheerste en deftige wijze opgevrolijkt door een diep glanzend rood of helgeel detail. Ik loop naar de balie en wordt aangestaard door een knap meisje met kersenrode lippen en een albasten gelaatskleur. “Wat kan ik voor u doen, meester Lamenterus?”, vraagt zij, terwijl zij mij vriendelijk en onderzoekend tegelijk aankijkt. “Ik heb een afspraak met notaris Magentus”, antwoord ik met de werktuiggelijkheid van een geoefende bezoeker. “Notaris Magentus is aanwezig. Ik zal u begeleiden naar zijn kantoor”, zegt het meisje. Zij staat met een vederlicht geruis van haar donkerpaars fluwelen gewaad op uit een kunstzinnig bewerkte en met lichtgroen trijp gepolsterde bureaustoel en schrijdt voor mij uit een, met donkerrood marmer betegelde, gang in waar, op geregelde afstand van elkaar, fraai bewerkte koperen muurlampen hangen, die met een zacht amberkleurig schijnsel de gang op een bijna sprookjesachtige wijze verlichten. Zij blijft staan voor een massieve ebbenhouten deur en gebruikt de zilveren deurklopper om meester Magentus te verwittigen dat er bezoek is voor hem. “Treedt binnen”, hoor ik van veraf een oude, wat krakende stem, op luide toon roepen. De deur zwaait open en ik betreedt een enorm grote en hoge kamer die beschenen wordt door hetzelfde amberkleurige licht als in de gang. Dit keer is omfloerste licht afkomstig van de dralende stralen van een gouden najaarszon dat door de gebrandschilderde ramen schuin naar binnen valt. Tussen de gebrandschilderde ramen die gevat zijn in spits toelopende gotische omlijstingen hangen schilderijen die allemaal een romantisch landschap voorstellen. Landschappen zoals Claude Lorraine ze zou hebben kunnen schilderen. Maar de details zijn prominenter aanwezig. Zijn duidelijker zichtbaar. Aan de rechterkant van de kamer bevindt zich een manshoge open haard waarin een vuur zo nu en dan fel oplaait onder het verspreiden van een uitbundige vonkenregen. Voor de haard staan twee lederen fauteuils en een lage tafel waarvan het tafelblad is vervaardigd uit het kostbare carneoolonyx met de bekende in elkaar verstrengelde vuurrode en witte lagen. Het tafelblad wordt gedragen door vier uiterst artistieke uit roodkoper vervaardigde kariatiden.
“Meester Lamentarus, om u te dienen meester”, zegt het meisje, “Hij heeft een afspraak. Het gaat over de onteigeningen in verband met de bouw van het transitiestation”. Achter in de grote donkere kamer met het hoge plafond, waar op weelderige wijze imponerend stucwerk is aangebracht, zit meester Magentus achter een immens cilinderbureau van donker Djatihout. De voorpanelen van het kolossale bureau worden verfraaid door verfijnde intarsia, zo delicaat en mooi als ik nog nooit heb mogen aanschouwen. Meester Magentus komt achter zijn bureau vandaan en komt mij tot halverwege de kamer tegemoet. Hij heeft zijn beide armen uitgestoken en begroet mij als ware ik de verloren zoon in eigen persoon . “Meester Lamenterus, wat een eer u weer te mogen begroeten”, jubelt de notaris met een hoge, ietwat hese stem, “Neemt u toch plaats bij de haard” . Meester Magentus die gekleed is in een streng ogend zwart lakense pak en een scharlaken rode cape, gaat zelf ook zitten in een van de twee immense oorfauteuils van soepel donkergroen elandleer. Ik nestel mij in de schoot van de stoel. “Marieke, breng ons koffie en cognac. We hebben belangrijke dingen te bespreken” Het knappe meisje, dat dus Marieke heet, maakt het begin van een reverence en verlaat vervolgens gehaast de kamer.
“Welaan, mijn beste Lamenterus, laten we meteen ter zake komen”, zegt de notaris. “Uw verzoeken hebben wij in de diverse akten vastgelegd en zijn ter beoordeling aangeboden aan het opperste Presidium van de Stadsraad. Het is nu wachten op de goedkeuring”
Ik schraap mijn keel en neem een deemoedige houding aan. “Zou het wellicht mogelijk zijn om nog wat kleine wijzigingen in het oorspronkelijke plan aan te brengen?” , vraag ik op bescheiden toon.
“Daar vraagt u me nogal wat”, roept meester Magentus verschrikt uit, “de akten zijn al door het Openbaar Ministerie geaccordeerd. Maar voordat we verder gaan zal ik even de kopieën erbij halen”. Meester Magentus staat op en verlaat de kamer door een deur naast zijn bureau. Ik sta op om naar de taferelen op de schilderijen te kijken. Ze zijn van een wonderbaarlijke gedetailleerdheid. Elke grasspriet staat er haarscherp op. Ik buig mij naar het meest linkse schilderij. Een boerderij tegen een bosrand met op de voorgrond wat struikgewas en bijna door riet overwoekerde sloot. Ik kijk scherper en zie tussen het riet een vogel. Een fuut. Plots begint het beeld te trillen. De omtrekken van de fuut tekenen zich nog scherper af tegen de groen-bruine achtergrond. De kop van de vogel verandert en wordt vervangen door de verwrongen gelaatstrekken van een kwaadaardige sater. Weer hoor ik een ijle stem. “Dit is de prijs die moet worden betaald voor de kennis van goed en kwaad”. Ik staar als gebiologeerd naar het monsterlijke wezen in het schilderij. Mijn omgeving vervaagd. De kamer lost op. Tegelijk wordt ik geweervuur en kanongebulder gewaar. Ik sta in een modderige loopgraaf met een lang geweer in mijn hand. Om mij heen klinkt afschuwelijk gekerm en vallen onophoudelijk granaten. Ik struikel als ik terugdeins voor het plotselinge geweld. Onder mij ligt het uiteengereten onherkenbare lichaam van een soldaat. Dan explodeert de lucht om mij heen en wordt alles duister.

In een ruim en licht kantoor op de dertiende verdieping van een gebouw in Tel Aviv zit ik achter een stalen legergroen bureau. Tegenover mij staat het hoofd van de Mossad. “Ik kan hier dus blind op varen?” vraag ik hem. “Er bestaat geen twijfel” , antwoord de man. “Dan is dus de nucleaire optie geen optie meer, maar in feite nog onze enige mogelijkheid?”, concludeer ik. “Ik kan er niets anders van maken”, bevestigt de man van de Mossad. “Okay, dan vallen we aan. Ik zal het bevel geven. God zij ons genadig”.

4 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized